'Passie en gedrevenheid maken het verschil'

De ontwikkeling van het moderne hordelopen

Wandelen, hardlopen en springen zijn de natuurlijkste bewegingen. Ook het springen over hindernissen hoort daarbij. Deze inspanningen werden in de oudheid al beoefend en geoefend en geperfectioneerd en als sport bedreven. Er werden wedstrijden in georganiseerd. Echter niet zo als heden ten dage op speciaal aangelegde accommodaties, maar ergens in het vrije veld. Met dit artikel, dat de redactie van Proloop voor u heeft vertaald vanuit het Duitse trainers vakblad Leichtatletik Training, wordt u iets verteld over het ontstaan en de ontwikkeling van het hordenlopen tot nu toe. Hoe heeft zich het korte- en lange hordenlopen ontwikkeld. Wanneer en hoe zijn wedstrijdvormen ingevoerd.

 

Algemeen
In Engeland, de bakermat van de moderne atletiek, waren er halverwege de 19e eeuw amper wedstrijden waar het hindernislopen op het programma ontbrak. Steeple-chase noemde men die discipline, die fysiek hoge eisen aan de deelnemers stelde. Er waren slechts weinig getrainde hindernislopers die de inspanningen goed aankonden met als gevolg dat al vrij snel het onderdeel van het wedstrijdprogramma werd geschrapt. Waar het onderdeel nog wel werd georganiseerd ging het meer om het vermaak van de toeschouwers dan om de wedstrijd zelf. Steeple-chase werd verbannen naar het vrije veld en op de rondbaan van het wedstrijdprogramma gehaald. De steeple-chase van toen vertoonde veel overeenkomst met het crossen van nu. In Duitsland kende men vanaf het begin van de 19e eeuw op zogenaamde turnplaatsen het lopen over kunstmatige hindernissen. In Nederland erkende de KNAU het eerste record op de 3000m. steeple chase in 1946. De reden daarvan was dat vanwege de verschillende lengte met meer of minder hindernissen en de variërende maten en afstanden tot voor die tijd te zeer van elkaar verschilden.

Korte horde
Voor zover bekend organiseerde het Eton College (Oxford) in 1837 als eerste een 100 yards hordenwedstrijd. Tijdens een ontmoeting tussen de universiteiten van Oxford en Cambridge in 1864, stonden voor het eerst hordenbaanwedstrijden op het programma waarbij de afstanden en hoogten van de horden gelijk waren. Trossbach gaf aan;

"de hordenwedstrijden gingen over afstanden van 120 en 200 El, dat wil zeggen respectievelijk 109.68m. en 182.80m. en wel over 3 voet en 6 duim hoge horden (gelijk aan 1.06.6m.). Ze zagen er echter absoluut niet uit zoals de horden van nu. Integendeel het bovenste deel bestond uit takken, riet en dergelijke zodat de horde rustig aangeraakt kon worden. Het aantal en de hoogte van de horden evenals de tussenafstand was bij de 120m. yards hordenloop in de jaren tot 1890 zeer verschillend. Meest gebruikelijk was 10 horden op een afstand van 10 yards van elkaar; de hoogte had de maat van een schapenafrastering (3,5 voet maar ook 1,06m.)".

Voor het eerst werd in het jaar 1860 de hordenhoogte reglementair vastgesteld op 3 voet en 6 inches. Vanaf 1864 konden hordenwedstrijd-resultaten volgens reglement onderling worden vergeleken. Tot die tijd werd dit aan de organisatoren overgelaten hetgeen nogal eens tot grote verschillen leidde. F.L.M. Webster schrijft in 1929 in "Athletic up to date" (London 1929, Frederick Warne & Co) over het hordenlopen in Oxford, waar in 1837 wedstrijden tussen verschillende opleidingscentra plaatsvonden. Maar ook over een hordenwedstrijd van 2 amateurs in 1853 over 50 horden van ieder 91.4 cm hoogte. In deze context wordt echter over de lengte van de gelopen afstand niets gezegd. Ook in andere Europese landen werd de korte hordensprint in de 19e eeuw als kampioenschapsonderdeel ingevoerd. In Zweden gebeurde dit in 1886; men liep toen de 100m. horden op een hoogte van 75cm. Frankrijk had in 1888 een 110m. horden op hun Kampioenschap. In 1890 kende Nederland op het hordenonderdeel z'n eerste recordhouder in de persoon van de in Bennekom woonachtige Engelsman John Spinks. Hij was lid van de Haarlemse atletiekclub Sparta en deed over de 110 yards horden 14.8sec. Daarbij ging het om negen horden van elk 91.4cm. hoogte. De eerste Nederlands recordhouder 110m. horden op 1.067m. hoogte was Jan Schiphorst. Hij liep in 1920 een tijd van 21.0s. Momenteel staat het record sinds 1999 op naam van Robin Korving met een tijd van 13.20s. Hij liep in 1999 wel drie maal sneller (13.19, 13.18 en 13.15), maar geen van deze prestaties zijn echter voor erkenning voorgelegd aan de recordcommissie. Bij de vrouwen werd in beginsel de 80m. horden (76.2cm hoog) gelopen. Eerste recordhouder was Annie van Zondervan die in 1929 een tijd van 13.4s. liep. In de jaren '60 werd de 80m. vervangen door de 100m. horden. Mieke Sterk werd in 1969 de eerste nationaal recordhoudster met een tijd van 14.2s. Sinds 1989 is het record met een tijd van 12.77s. in handen van Marjan Olyslager. In 1903 stond in Duitsland voor het eerst een 110m. horden op het wedstrijdprogramma.

Ontwikkeling van de lange horden
Parallel aan de ontwikkeling van de korte horden kwamen er meer wedstrijdafstanden in de atletiekprogramma's voor. Eind 19e eeuw namen Amerika en andere Europese bonden het hordenlopen in hun wedstrijdprogramma's op. In het kader van de "Oxford-Cambridge Meetings" (in 1864) werd een 220 yards hordenloop gedaan die Wynne Finch in 26,8sec. won. Het aantal en de hoogte van de horden is niet bekend. In 1866 was er tijdens die universiteitsmeeting een 220 yards loop over 12 horden met een hoogte van 1.06m. gewonnen door D. Morgan van de Oxford Universiteit. In 1887 werd in de USA de hordenloop als wedstrijdonderdeel aangeboden. Er waren 10 horden op een hoogte van 76.4cm. Zo rond die tijd waren diverse variaties in aantal en hoogte van de horden in gebruik. Zo won in 1879 J. Lufen de 220 yards in 34,5sec, waarin hij 10 horden van 1.06m. moest nemen. In 1886 won C.T. Wiegaus de 220 yards in 28,8sec. waarin hij 10 horden op 91.4cm. te nemen had. In 1887 voerde de USA de 220 yards hordenloop als nationaal kampioenschapsonderdeel in met 10 horden op 76,4 cm. De eerste Amerikaanse Kampioen op dit onderdeel werd H.F. Copeland. Naast de 120 yards en 220 yards hordenloop probeerden de atleten òòk de 440 yards (400 meter). Sporters van Oxford en Cambridge hadden in 1864 voor het eerst een wedstrijd op die afstand. In de USA waren aanzienlijk meer variaties op de langere hordenloopprogramma's. Tussen 1875 en 1891 was het daar gebruikelijk diverse afstanden tussen de 300 en 440 yards te sprinten. Het aantal horden en de hoogte daarvan waren niet gereglementeerd. Er konden tussen de 10 en de 20 horden staan en de hoogte varieerde van 76,4cm, 91,4cm of zelfs 1.06m. Hoke merkt daarover op dat de ervaring op al die variaties leerde dat er op 440 yards met 10 horden van 76,4cm nog sprake was van "sprint". Bij een hoogte van 91,4cm kon je nauwelijks nog van "sprint" spreken. De eerste natie die de 400m. hordenloop invoerde was Frankrijk. In 1893 werd in dat land een kampioenschap gehouden met een 400m. horden bestaande uit 10 horden met een hoogte van 91,4cm. De eerste Franse kampioen over die afstand was Blanchett in 60.0sec. Dit Franse voorbeeld werd maar langzaam door andere landen gevolgd. In 1914 namen de Amerikanen de lange hordenafstand in haar kampioenschapsprogramma op. Eveneens werden in 1914 de 440 yards respectievelijk de 400m. horden als kampioenschapsdiscipline in Engeland en Zweden opgenomen. In 1922 volgde de invoering als kampioenschapsonderdeel in Duitsland. Eerste recordhouder op de 400m. horden in Nederland was Oscar van Rappard in 58.4s. Dat was in 1924. Sinds 1979 is het record in handen van Harry Schulting met 48.44s. Bij de vrouwen is op dit onderdeel Wilma Schiphorst met een tijd van 60.22 eerste nationaal recordhoudster, terwijl het record sinds 1998 met 54.62s. in bezit is van Ester Goossens.

Ontstaan en ontwikkeling van de horden-techniek

De Engelse "sliding style"

Hoke karakteriseert de hordentechniek aan het eind van de 19e eeuw als volgt:
"om een wedstrijd te winnen gaat het er om het pasritme tussen de horden zo in te richten dat de atleet gelijkmatig altijd met dezelfde voet afzetten kan".
Deze toenmalige hordenloop had een grote gelijkenis met het hordenspringen van ongeschoolde beginners van nu. De gebruikelijke hordentechniek werd de "Engelse sliding style" genoemd. In deze stijl was het gevaar groot tegen de zware horden aan te stoten of er aan te blijven hangen. Bij deze techniekvariant waren de vereisten voor de sprongkracht en coördinatie het laagst. Het passeren van de horden zag er meer uit als stijgen c.q opspringen voor de horde en afdalen na de horde. Het afzetpunt voor de horde lag slechts tussen de 1.50-1.80m. Na de afzet voor de horde werd het onderbeen van het 1e been binnenwaarts opgezwaaid en vervolgens via een gebogen knie hoog opgetrokken. Het 2e been trok de loper meestal sterk zijwaarts afgespreid, gebogen naar voren. De romp van de loper werd bij de hordenpassage min of meer rechtop gehouden wat het springen over de horde tot gevolg had. Doordat het lopen steeds door het springen werd onderbroken waren de meeste sporters niet in staat het tegenwoordige gebruikelijke 3-pas ritme te continueren, maar vervolgden ze de race met een 5-pasritme hetgeen de resultaten negatief beïnvloedde. Ook op de andere wedstrijdafstanden vond de techniekvariant van de Engelse sliding style toepassing: de 220 yards of 200m. horden werden met vergelijkbare positie van beeninzet en bovenlichaampositie gelopen hoewel de te nemen horden aanzienlijk lager waren. Op de 220 yards of 200m. hordenafstand liepen de sporters een 7-pas ritme terwijl de tussenafstand 18m. bedroeg. Dit kwam overeen met de dubbele afstand van de horden bij de korte hordendiscipline van 9m. en maakte daarmee hoge loopsnelheden mogelijk en beperkte daarmee ook het risico om van 1e been (naar een 6-pasritme) te moeten wisselen. De wedstrijdvoorschriften met betrekking tot de 220 yards of 200m. horden waren echter niet eenduidig. Als zodanig moeten ook de toen bekende resultaten geïnterpreteerd worden. Soms waren er hordenlopen over de lage horden volgens het tegenwoordig bekende model; dat wil zeggen de eerste meters werden in de bocht afgelegd en het tweede deel op het rechte stuk. Maar er waren ook wedstrijden waarbij de 220 yards of 200m. alleen op een recht stuk werden gelopen. Met name in deze tweede variant werden natuurlijk de betere tijden neergezet. Men behoefde zijn techniek niet aan de bocht aan te passen. Op de 440 yards of 400m. horden waren 15 of 17 passen tussen de horden gebruikelijk. Wat de technische uitvoering van de hordenpassage betreft leek de stijl daarvan op de korte hordensprint en kenmerkte zich in tegenstelling tot de lage horden door een meer naar voren gerichte lichaamshouding en een hogere knievoering van het 2e been.

De Amerikaanse "schrede-stijl"
De techniek van de hordenpassage veranderde bij de eeuwwisseling (19e naar 20e eeuw) van de sliding-style naar de Amerikaanse schrede-stijl. Deze laatste stijl werd voor het eerst door de Amerikaan Kraenzlein toegepast. Dat was bij de Olympische Spelen in Parijs in 1900 waarmee hij een nieuw wereldrecord vestigde. In de daarop volgende jaren schoolden zich steeds meer atleten in deze nieuwe techniek. Trossbach typeert de nieuwe techniekvariant als volgt:

"de loper loopt over de hindernis en springt er niet meer over". Het gaat om een natuurlijke, doelmatige passage die met een nadere ontwikkeling gezien wordt als de hordentechniek voor de toekomst. De afzet ligt bij de diverse schrede-stijlvarianten op ca. 2.20 meter voor de horde; de afzet vertoont overeenkomsten met die van een verspringer. De afzetvoet wordt in z'n geheel afgewikkeld. De techniek van het 1e been geeft wel onderlinge verschillen te zien. De ene atleet zwaait het been nagenoeg in z'n geheel gestrekt op, de ander heft een licht gebogen knie tot heuphoogte -een beweging die het midden houdt tussen de sliding- en de schrede-stijl- en een derde atleet zwaait het been als een normale looppas op en brengt het vervolgens via een pendel van het onderbeen naar voren. Bij de Amerikaanse stijl speelt de armbeweging een grote rol. De armen dienen ertoe om het evenwicht bij de hordenpassage te bewaren en om de beweging naar voren en het dalen van het lichaamszwaartepunt te ondersteunen. Nadat de hordenloper de hindernis bijna volledig heeft genomen moet een nadrukkelijk, actieve landing voorbereid worden om effectief verder te kunnen lopen. Trossbach beschrijft deze fase van de hordenpassage als volgt:

"Zodra het achterwerk de horde heeft gepasseerd, wordt het 1e been snel, actief in gestrekte positie naar beneden gebracht. Gelijktijdig wordt het afzet- c.q. 2e been, dat zich al zijwaarts afgespreid heeft en parrallel is ten opzichte van het loopvlak, door een krachtige heupbeweging over de horde gehaald. Tijdens de gehele passage neemt het bovenlichaam een voorover hellende positie in zodat de loper niet via een grote boog voetcontact maakt met het loopvlak waardoor de voorwaartse snelheid negatief wordt beïnvloed. Na de landing moet het bovenlichaam zijn gebruikelijke licht voorover neigende positie behouden. Door een juiste armvoering worden de voorgaande bewegingen ondersteund. De arm aan de kant van het 1e been zorgt voor het evenwicht, de andere arm ondersteunt de beweging van het afzet- c.q. 2e been door een korte, felle beweging naar achteren".

De Amerikaanse techniekopvatting vond zowel toepassing bij de korte als de lange horden. De voordelen van techniekontwikkeling en de voortdurende prestatieprogressie leidden ertoe, dat ook op de lange hordennummers de techniekvarianten van de Engelse sliding-style voorbij gestreefd werden door varianten van de Amerikaanse stijl. Natuurlijk was de Amerikaanse stijl van invloed op de hoogte van de horden en de (tussen)afstanden. Aangezien het lopen over de stevige, houten horden voor de atleten zeker niet zonder gevaar was, werd kort na 1900 in Amerika met name om die reden een lichtere horde ontwikkeld. Deze horde beschikte bij toucheren tevens over de mogelijkheid om de standaardinstelling c.q. -hoogte van bijv. 1.06m. automatisch te veranderen c.q. te verlagen. Dat gegeven leidde ertoe dat een aantal atleten doelbewust contact met de horden maakte om zodoende de concurrentie te snel af te zijn.

Dubbele arm-techniek
Tijdens de jaren 1900-1920 overheerste de Amerikaanse hordentechniek. Deze techniek veranderde door toonaangevende internationale hordenlopers met speciale armtechnieken tijdens de hordenpassage. De kenmerkende Amerikaanse schrede-stijl c.q. beenbewegingen bleven echter behouden. De pioniers van de speciale armtechniek twee ver naar voren naar de voet van het 1e been te brengen. waren Earl Thompson uit Canada die in 1920 Olympisch Kampioen werd en wereldrecordhouder was en de Amerikaan Robert Simpson. In 1916 had hij het wereldrecord op de 110m. horden op 14,8 sec. gebracht waarop in datzelfde jaar Thompson tot 14,6 kwam. Op grond van deze prestaties was de interesse voor hun speciale armtechniek zeer groot en andere hordenatleten namen de dubbele armvariant over. Bij de armstijl van Simpson werd de vrije arm in plaats van naar achteren, ontspannen voorwaarts gehouden. Het lichaam kon hierdoor, zo was de opvatting, beter, functioneel voor gehouden worden. De Canadees Thompson ging nog verder en ontwikkelde uit de Simpson-stijl de zogenaamde dubbele armtechniek. Al in de voorlaatste pas bracht hij beide armen licht gebogen naar voren om ze vervolgens bij het "aanvallen" van de horde alle twee ver naar voren naar de voet van het 1e been te brengen. Ook hier was de gedachte dat het bovenlichaam beter, functioneel voor gehouden kon worden en zodoende de horde sneller genomen kon worden en de atleet na de passage bovendien in staat zou zijn sneller zijn 3-pas ritme te kunnen vervolgen. Tot aan het einde van de jaren 1940 pasten alle goede hordenlopers dezelfde techiek met persoonlijke varianten toe, zoals deze bij Robert Simpson, Earl Thomson, Percy Beard of Forrest Towns te zien waren. Ook de techniek op de lange hordendisciplines ontwikkelde zich verder. De 200m. horden maakte weliswaar nog deel uit van het officiële wedstrijdprogramma, bij de Olympische Spelen werd ze van het programma geschrapt. Daardoor ging de aandacht vooral uit naar de 400m. horden en stond de verdere ontwikkeling van dit onderdeel vooral in het teken van het verbeteren van het pasritme op deze afstand. De techniek voor de hordenpassage op de lange hordenafstanden kende geen echte bijzonderheden. De ervaring op de 200m. horden had geleerd dat een goede, lange hordenloper over veel kwaliteiten moest beschikken op hetzelfde onderdeel zonder horden; dat werd als de meest prestatiebepalende factor aangemerkt. Het aanleren van de hordentechniek was daaraan ondergeschikt. Toen de horden op de 400m. horden naar 91,4cm werden verhoogd veranderde de aandacht voor de techniek enigszins. Een licht voorover neigen bij het passeren van de horde was door de verhoging noodzakelijk geworden. De lange, rechte pas over de horde bleef bij het aanvallen van de horden ten opzichte van de oude, lage horde gehandhaafd; een hogere knie-inzet van het 1e been was echter een must. Deze techniekopvatting is, afgezien van individuele varianten, sinds die tijd nauwelijks veranderd. Dit in tegenstelling tot de ontwikkeling van het pasritme tussen de horden en de (taktische) verdeling daarvan over de wedstrijdafstand. Hierin is een ontwikkeling te zien van 22 aanlooppassen naar de eerste horde en een 15-pasritme tussen de horden. De verbetering van de vlakke sprinttijden door onder andere betere trainingsmethoden en de komst van tartan heeft in de loop der jaren geleid tot een aanloopritme naar de eerste horde van 20 passen en een 13-pasritme tussen de horden. De aanloop van 45m., de tussenafstand van 35m. en de uitloop van 40m. bleven daarbij ongewijzigd. Dat gold ook voor het aantal horden, namelijk 10.

Het Hordenlopen Door Vrouwen
Sinds 1921 werden ook bij het hordenlopen voor vrouwen wedstrijden over verschillende afstanden georganiseerd en werden er wereldrecords bijgehouden. In zijn boek "De Hordenloop" uit 1926 beschrijft TROSSBACH destijds over het hordenlopen voor vrouwen het grote onbegrip:

"DAMESHORDENLOOP". "Bij het lezen van deze titel en het bekijken van de plaatjes zullen vele lezers alleen maar het hoofd schudden. In Duitsland kennen we het hordenlopen door dames in het geheel niet. Slechts de ene of andere loopster doet voorzichtig een poging een horde te nemen".

Meestal werden afstanden tussen 60 en 120 yards met 76 cm. hoge horden gelopen. De lijst met wereldrecords van de internationale vrouwenbond F.S.F.I. zag er in het midden van de jaren dertig van de vorige eeuw (1 yard is ca. 91cm) als volgt uit:
- 60 yards (4 horden-76 cm): 9.0 sec. Batson (Usa) 1921
- 65 yards (6 horden-76 cm): 10.6 sec. Delapierre (Fra) 1921
- 83 meter (7 horden-76 cm): 13.6 sec. Laloz (Fra) 1924
- 100 yards (8 horden-81 cm): 14.4 sec. Sabie (Usa) 1922
- 120 yards (10 horden-76 cm): 17.8 sec. Ulauze (Fra) 1924

In eigen land kwam op de 80m. horden het eerste Nederlandse Record op naam van Annie van Zondervan. In 1929 verbeterde zij zich drie maal van respectievelijk 13.4, 12.7 naar 12.3sec. Het was het jaar dat voor het eerst een apart Nederlands Kampioenschap voor worden werd georganiseerd. Tot die tijd werd vanaf 1920 een aantal onderdelen als bijnummer toegevoegd aan het Nederlands Kampioenschap voor mannen. Vanaf 1942 werd de titelstrijd voor mannen en vrouwen georganiseerd. In 1948 had Nederland op 80m. horden in de persoon van Fanny Blankers Koen een wereldrecordhoudster in haar midden met een tijd van 11.0sec. In datzelfde jaar werd ze met een tijd van 11.2 op deze afstand ook Olympisch Kampioene in Londen evenals op de 100, 200 en 4x100m. Golden Fanny werd 51 jaar na deze prestatie uitgeroepen tot de beste atlete uit de 20e eeuw.

Voor de techniek van het hordenlopen door vrouwen schreef HOKE in 1936 de volgende handleiding:
"Bij de hordenpassage legt u dezelfde accenten als op de lage horden bij de 200 meter mannensprint. Het is echter niet nodig dat een grotere vrouw bij de hordenpassage haar bovenlichaam zover naar voren buigt zoals dat wel bij de hogere horden bij de mannen wordt verlangd. Het totale bewegingsverloop moet er vloeiend uitzien.Bij de meeste vrouwen ligt de grootste fout in het onregelmatig meenemen van het natrekbeen (2e been) als eerste pas van het tussen- c.q. 3-pasritme. De knie van dat 2e been wordt zelden op de juiste hoogte voor de volgende pas in gezet, waardoor het bewegingspatroon onderbroken oogt. Net als bij de hoge mannenhorden bestaat het pasritme uit 8 passen tot de eerste horde met 3 passen er tussenin. Omdat veel vrouwen met te lage snelheid op de eerste horde afkomen ontstaan direct al passageproblemen. Het inzetbeen (1e been) dient bij de hordenpassage net zo te worden ingezet als bij de hoge mannenhorden is voorgeschreven. Belangrijk is de slingerbeweging van het onderbeen. De armen ondersteunen effectief de lengte van de pas".

De kennis over de hordentechniek van de mannen op vooral de 200 en 400m. horden alsmede de daarbij gebruikte uitgangspunten, werden vertaald naar het hordenlopen voor vrouwen. Bij de Olympische Spelen van 1932 in Los Angeles was in het atletiekprogramma voor de eerste keer de 80 meter hordensprint voor vrouwen opgenomen. Slechts negen dames verschenen aan de start waardoor er maar twee series nodig waren voordat de finale van start kon gaan. Winnares op het onderdeel werd de veelzijdige Mildred "Babe" Didrikson uit de USA. Zie afbeelding hieronder met "Babe" uiterst rechts over de horde.

De Moderne Techniek - Mannen
Vroeger dacht men dat de "ideale" hordenloper een grote loper was met niet alleen ideale lichaamsafmetingen maar ook met een snelle "vlakke" sprint in de benen. De Amerikaanse schrede-stijl en de daarmee verbonden technische criteria waren op het lijf geschreven van de grotere sprinters. Met technische afwijkingen in stijl bij de lichamelijk wat kleinere atleten werd door de trainers geen rekening gehouden. Pas door looppersoonlijkheden als Frank Wolcott en (later) Harrison Dillard werd wel met technische stijlafwijkingen rekening gehouden. De kleinere hordensprinter is, veel meer dan grote sprinters, aangewezen op uitstekende vlakke sprintvaardigheden. De veronderstelde slechtere hordentechniek dient door een hogere bewegingsritme tussen de horden gecompenseerd te worden.

In 1961 beschreef SCHMOLINSKY de techniek van de hordenpassages. Hij onderscheidde drie deelbewegingen, namelijk het deel van het inzetbeen (1e been) , die van het natrekbeen (2e been) en de armdeelbeweging. Over de beweging van het de 1e been schrijft hij:

"De beweging van het 1e been bestaat na de knie-inzet uit een snelle pendelbeweging naar voren en omhoog van het onderbeen tot hordenhoogte. Essentieel is dat deze gestrekte beenpositie zo snel mogelijk wordt opgeheven. Dat gebeurd door actief neerwaarts gerichte druk te geven op het bovenbeen (dij) waardoor een snelle landing kan plaatsvinden. Om de horde goed te kunnen "pakken" is het noodzakelijk dat de knie-inzet van het 1e been bij de hordenpassage er zo uitziet dat het bovenbeen iets boven horizontaal uitkomt. In deze fase zit het onderbeen praktisch loodrecht daaronder en pendelt vervolgens met kracht naar de horde. Een krachtig uitgevoerde pendel (inzet) veroorzaakt meestal een zeer kort durende volledige strekking van het kniegewricht, nog vóór de voet de horde heeft gepasseerd. Direct daarna begint de landingsbeweging. Hierbij wordt het been bij het kniegewricht licht gebogen zodat het snel, elastisch achter de horde neergezet kan worden".

Vervolgens geeft Schmolinsky uitleg aan de beweging van het 2e been:

"Voor een efficiënte hordenpas is het noodzakelijk het bovenbeen van het 2e been afgespreid van het lichaam over de horde te " trekken". Dat wil zeggen dat deze beweging actief uitgevoerd moet worden. Voor de juiste uitvoering van deze beweging is een goede beweeglijkheid in het heupgewricht noodzakelijk. De belangrijkste taak van het 2e been is het, zonder onnodige vertraging, completeren van de eerste pas ná de horde".

Op de 400meter horden hebben zich voor wat betreft de technische aspecten weinig bijzondere ontwikkelingen voorgedaan. De vaardigheden van de internationale sprinttop op de vlakke sprints hebben zich wèl behoorlijk verder ontwikkeld. Dienovereenkomstig ontwikkelde zich, ook in tactisch opzicht, het pasritme tussen de horden en de verdeling daarvan over de totale afstand. In de jaren '40 van de vorige eeuw was het nog gebruikelijk met 15 of 17 passen tussen de horden te lopen. Snellere eindtijden werden echter gerealiseerd toen atleten in staat waren om de afstand eerst 2-benig onder de knie te krijgen en wat later geheel in een 13-pas ritme af te kunnen leggen. Een voorbeeld van een atleet die de techniek van 2-benigheid beheerste en beloond zag was John Akii-Bua uit Oeganda. Hij werd tijdens de Spelen van 1972 in München Olympisch Kampioen in de wereldrecordtijd van 47.82. De eerste loper die een 13-pas-ritme beheerste was de Amerikaan Edwin Moses. In 1976 won hij tijdens de Spelen in Montreal Goud in de nieuwe wereldrecordtijd van 47.64sec. In 1984 won hij in Los Angeles zijn 2e Olympische Gouden medaille. Ook schreef hij in 1983 en 1987 de wereldtitel op deze hordendiscipline op zijn naam.

Het welbewust toepassen van de juiste pasfrequentie werd pas in het begin van de tachtiger jaren gebruikelijk. Vanaf die tijd kreeg eveneens het kunnen toepassen van een beenwissel steeds meer betekenis.

Vrouwen
De techniek bij het hordenlopen voor vrouwen heeft uiteraard ook niet stilgestaan. Ná de Olympische Spelen in 1932 van Los Angeles ontwikkelde de discipline zich snel. Vanwege de lagere hordehoogte was het vooroverbuigen van het bovenlichaam, zoals dat bij de mannen gebeurde, niet zo noodzakelijk. Hierdoor passeerden de hordenloopsters met vrijwel verticale lichaamspositiede horden om vervolgens na een snelle hordenpassage zo snel mogelijk het 3-pasritme tussen de horden te kunnen hervatten. In tegenstelling tot de 110 meter horden streefde men niet naar een volledige strekking van het 1e been. Integendeel. De vrouwen probeerden, door tijdens de passage een lichte buiging in de knie te houden, een snelle "touch-down" ná de horde te realiseren. Het meest belangrijke onderdeel van de hordenpassage was het weer in de looprichting naar voren brengen van het 2e been, als voorwaarde voor de sprint naar de volgende horde. Als gevolg van de geringe hordenhoogte heeft de curve van het lichaamszwaartepunt een nagenoeg vlak verloop. Dit in tegenstelling tot de mannen. Met name hierdoor wordt het hordenlopen vooral beheerst door vrouwen met een goede vlakke sprint in de benen. Een uitstekend voorbeeld hiervan is de Amerikaanse Gail Devers. Olympisch Kampioene in Barcelona 1992 en Atlanta 1996 op de 100m. maar ook in het hordenlopen zeer succesvol.

Reglementaire veranderingen en ontwikkelingen
De in 1932 ingevoerde 80 meter horden (8 meter tussenafstand met 76,2 cm hoge horden) werd in 1969 vervangen door de 100 meter horden (8,50 meter tussenfstand met 84 cm hoge horden). Bij de Olympische Spelen van 1972 te München werd die nieuwe afstand voor het eerst gelopen. Hierover merkte SCHMOLINSKY op:

" Naar aanleiding van de ervaringen tijdens de Olympische Spelen van Mexico (1968) werd besloten de hordenafstand te wijzigen. De nieuwe afstand en maatvoering kwamen beter overeen met de prestatie-ontwikkeling van de vrouwen en voor goede sprintsters ontstonden er betere ontwikkelingsmogelijkheden".

In 1970 werd, tijdens een vergadering van de EAA te Brescia (I), gediscussieerd over het instellen van een tweede hordennummer voor vrouwen. Men sprak over 3 afstanden: een 200 meter, 300 meter of 400 meter horden. In ieder geval dienden er op de nieuwe afstand 10 horden geplaatst te worden. De keus viel op de 400 meter met dezelfde tussenafstanden als bij de mannen, namelijk een aanloop tot de eerste horde van 45 meter, een tussenafstand van 35meter en een uitloop na de laatste, 10e horde, van 40 meter. De hoogte werd vastgesteld op 76,2 (bij de mannen 91cm.).

Het eerste, door de IAAF erkende, wereldrecord werd gelopen door de Poolse Krystyna Kacperczyk in 1974 in Augsburg in een tijd van 56.51 seconden. Het Olympisch debuut van deze afstand voor vrouwen was pas in 1984 bij de Spelen van Los Angeles. Winnares was de Marrokkaanse Nawal El Moutawakel in 54.61. Eerste Nederlands Recordhoudster in 1977 was Wilma Hillen met 60.22. Sinds 1998 is de Nederlands Recordhoudster Ester Goossens met 54.62.

De hedendaagse techniek
Tot het einde van de jaren zeventig bestond er bij de mannen een "uniform" techniekmodel voor het hordenlopen. Dat liet wel afwijkingen toe maar pretendeerde toch een algemeen beeld van de "ideale" hordenloper. Tegenwoordig beperkt zo'n techniekmodel zich veelal tot de scholing van beginners in het hordenlopen. Bij de internationale top zijn afwijkingen eerder norm dan regel. Individuele afwijkingen behoeven niet meer zonodig in één of ander technisch patroon ondergebracht te worden. Herkenbare verschillen in stijl nemen echter niet weg dat de ogenschijnlijke techniekvariaties steeds zijn gericht op bewegingselementen die de prestatie bepalen.

In opvattingen over de techniek heeft niet alleen de hordenpassage (de zweeffase over de horde) een bepalende rol, maar vooral ook de weglooppositie ná de horde en de aansluitende overgang in de sprint tussen de horden.

MULQUEEN schrijft daarover:

"Races are run, and won, on the ground".

Bereiken de atleten een weglooppositie ná de horde, die hen tot een aktieve tussenhordensprint in staat stelt, dan kan de techniek nooit "verkeerd"zijn. Waren het, in het begin van de 20e eeuw, vooral de grote atleten die de dienst uitmaakten op de 110 meter horden, sinds de tachtiger en negentiger jaren is de situatie danig veranderd. Florian Schwarthoff, 2.01 meter lang, won brons in Atlanta (1996). Mark McKoy, 1.74 meter won goud in Barcelona (1992).Noodzakelijkerwijs kunnen deze atleten niet dezelfde technieken voor de hordenpassages gebruiken. Veel meer zijn zij op grond van hun lichamelijke kenmerken gedwongen individuele techniekoplossingen te zoeken. De techniek op de 110 meter horden kan als hordenbasistechniek beschouwd worden. De overige hordentechnieken hebben geringe afwijkingen daarvan. Dat gold ook (tot 1969) voor het hordenlopen door vrouwen.

JONATH merkte hierover in 1979 op:

"Sinds de hordenhoogte voor vrouwen van 72,2 cm naar 84 cm is gebracht is de hordentechniek van de vrouwen meer gaan lijken op die van de mannen. Terwijl het natrekbeen (2e been) vroeger niet in zo'n grote hoek werd gebracht wordt het tegenwoordig niet meer "spitshoekig" onder het lichaam doorgetrokken, maar moet, afhankelijk van de lichaamsgrootte, meer zijwaarts naar voren gebracht worden. Het bovenlichaam wordt voor de horde iets meer naar voren gebogen, echter niet zover als bij de mannen. De afstanden tussen de horden van 8.50 meter bij de vrouwen en 8.00 meter bij de meisjes A/B maakt het mogelijk vol door te kunnen sprinten tussen de horden".

De uitspraken van JONATH worden ondersteund door de resultaten tijdens de Olympische Spelen van 1992 en 1996. Toen stonden er sterke "vlakke" sprintsters in de finales van de 100 meter horden. Het mooiste voorbeeld is de Amerikaanse Gail Devers die tot de absolute wereldklasse behoort op zowel op de 100 meter vlak als op de 100 meter horden.

Sponsoring

TS-logo-2